• Learn and practice some regular and irregular Dutch verbs in the present and other tenses.

  • 120x120

    Regular verbs

    1. ik kom, jij komt, hij/zij komt, wij komen…
    Get Started
  • 120x120

    The verb "zijn"

    1. ik ben, jij bent, hij/zij is…
    Get Started
  • 120x120

    The verb "hebben"

    1. ik heb, jij hebt, hij/zij heeft…
    Get Started
  • 120x120

    The verb "gaan"

    1. ik ga, jij gaat, hij/zij gaat
    Get Started
  • 120x120

    The verbs "willen" and "kunnen"

    1. ik wil, jij wilt…
    2. ik kan, jij kan, hij/zij kan…
    Get Started
  • 120x120

    The verbs "mogen" and "moeten"

    1. ik mag, jij mag, hij/zij mag... ik moet, jij moet, hij/zij moet...
    Get Started
  • 120x120

    Using modal verbs

    1. Mag ik u iets vragen?
    2. Kunt u mij helpen?
    Get Started
  • 120x120

    Wishes and suggestions

    1. Ik wil een ijsje.
    2. Ik zou graag vakantie nemen.
    Get Started
  • 120x120

    The imperative

    1. Koop nu, betaal later!
    2. Kom hier!
    Get Started
  • 120x120

    A few verbs of movement

    1. rijden, lopen, varen ...
    Get Started
  • 120x120

    The Dutch conditional

    1. zouden willen, zou gaan...
    Get Started
Default